Seru Popchi - een tweede bezoek

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Nadat we vorige week bij Seru Popchi waren geweest, kregen we de volgende reactie op het verslag: "Bij elke baai vind je een preceramic site. Alleen tot nu toe is St Marie de enigste baai waar nog geen preceramic site is gevonden. Bij de zoutpannen zijn wel wat schelpen maar of dit een preceramic site is, is nog niet duidelijk voor mij. Jullie vondst is daarom van eminent belang. Als het inderdaad een site is, zou dit de eerste in dit gebied zijn."  Reden genoeg om die omgeving nog eens uit te kammen. Aangezien we bij het vorige bezoek niet alle abri's (nissen) hadden kunnen bezoeken, besloten we op donderdag 2 juni tot een hernieuwde aanval op deze "berg", maar dan vanaf de Noordzijde. Om kwart over acht in de ochtend van een redelijk sombere, maar wel vrij klamme dag gingen François, Fred, Michèle en ik (Dirk was verhinderd) weer op pad.

Michèle, Fred en François lachend, maar dicht bij de afgrondOp Google Earth was er een pad te zien dat naar de voet van de Noordzijde van Seru Popchi zou leiden. En dat pad bleek nog in goede conditie te zijn. Het wordt blijkbaar vrijgehouden door mensen, die naar de grote nis aan de Noordzijde willen gaan. Wij hadden er in ieder geval baat bij en al snel stonden we in de grote abri. Daarvandaan verkenden we eerst de Oostelijke zijde van de Seru Popchi. Daar vonden we enkele kleine nissen, maar daarin geen enkel spoor dat hier indianen zijn geweest. Toen het pad langs de Oostzijde eindigde, zijn we teruggegaan om het gedeelte van de Westelijke zijde te bekijken, waar we de vorige keer niet geweest waren. Ook daar vonden we weer een aantal indrukwekkende abri's; veel van die abri's hebben mooie druipsteenformaties of mooi uitgesleten patronen in de zachte kalksteen. In één van de nissen vonden we een groot bijennest. Gelukkig bleek het bijenvolkje vredelievend, want we hebben op relatief kleine afstand foto's van het nest kunnen maken. Zelf heb ik nog nooit zo'n groot nest gezien. Aan de zijkant kon je ook duidelijk de structuur van de vertikale raten zien.

We konden ook nu weer van abri naar abri gaan; dat klinkt eenvoudig, maar soms moesten we halsbrekende toeren uithalen om bij de volgende abri te komen. Dat kon door eerst extra af te dalen en dan weer naar boven te gaan, of door over de rotsen van de ene naar de andere abri te klimmen. In geen van die abri's zagen we schelpresten. Wel kwamen we steeds dichter bij het plateau boven op de berg en uiteindelijk konden we vrij gemakkelijk de laatste paar meters klimmen om bovenop te komen.
Een ideale plek voor een rustpauze.Tijdens de rustpauze hebben we het plan gemaakt om als route naar beneden de abri's te gebruiken, die we de vorige keer al hadden bezocht. Die route zou ons ook weer bij de plek brengen, waar we de vorige keer de meest duidelijke sporen van indianen hadden gevonden.

Uitgerust begonnen we aan de afdaling, daarbij geholpen door een GPS-waypoint dat we de vorige keer hadden genomen van de kleine stapelmuur. Vanaf dat punt konden we eenvoudig de route van de vorige keer oppakken, maar dan in omgekeerde richting. De indianensite hebben we deze keer goed gedocumenteerd; we zijn er zeker van dat hier in het verleden indianen in ieder geval beschutting hebben gezocht. Zoals ook al in het vorige verslag gemeld, hoeft dat niet te betekenen, dat hier een nederzetting was, maar het is wel een plek, waar Seru_Popchi_20110602_040één of meerdere malen gegeten is. We hebben een kleine ruimte in de rostwand gevonden, waarvan de vloer helemaal bezaaid is met stukgeslagen oude schelpen. Een duidelijke aanwijzing van de aanwezigheid van indianen op deze plek. De plek leent zich er ook goed voor, want de overzijde van de nis is voorzien van een vrij hoge wand, waardoor daartussen een beschutte plaats is ontstaan.

De rest van de afdaling was vrij eenvoudig; na nog een korte rustpauze beneden, restte ons nog de vrij lange wandeling over vlak terrein terug naar de auto's.